19 april (snotteraar)

Net als ik mijn werk (een boek, een schrift, een pen, een folder) op het klaptafeltje heb uitgestald komt er nog iemand de treincoupé binnen. Ze gaat niet, zoals je verwacht, zo ver mogelijk bij me vandaan zitten, maar op een stoel aan de andere kant van het gangpad. Vrijwel onmiddellijk haalt ze haar neus op, het klinkt wat beklagenswaardig, en vanachter haar masker komt een ingehouden maar onmiskenbaar verkouden hoestje. 

(Je jas over je hoofd gooien, alles achterlaten, de coupé uit tijgeren. Blijven zitten, met al je vertrouwen in de medemens. Terugniezen. Informeren, Heel voorzichtig, naar een eventuele test, pardon. Bevriezen. Je mondkap met zoveel mogelijk vingers zo sluitend mogelijk op je gezicht duwen, een uur lang, tot je op bestemming bent. Besluiten nooit meer werk aan te nemen dat niet op de fiets bereikbaar is. Gewoon maar heel hard gaan huilen, misschien schrikt het af. Op de grond gaan liggen gillen, als een peuter op straat, tot die hele klotepandemie voorbij is. Woest worden, met schrijfgerei gooien. Je einde accepteren, of toch tenminste het einde van alle mensen die je zult besmetten.)

Ik schuif zo onopvallend mogelijk alles van het tafeltje in een tas, neem ’t trapje naar het bovenste deel van de dubbeldekker. Arme vrouw. Die heeft vast hooikoorts, of een driedubbel geteste verkoudheid, en de mensen rennen van haar weg als wild van een bosbrand. 

Of misschien doen alleen mensen zoals ik dat, mensen die ineens zenuwachtig en bang zijn, mensen die ondanks alles heus geloven dat iedereen het beste met iedereen voorheeft, mensen die niet op hoeven en klauwpoten voor het vuur wegsprinten, maar die gloeiend van schuld en daardoor des te opvallender wegglijden, als fluorescerende addertjes. Er is eigenlijk maar een oplossing: op alle mondkapjes bij wet een ‘sorry’ laten printen – hebben we dat maar gehad. 

18 april (de experts)

In de pizzeria staan alle stoelen tegen de muren gestapeld. Op een provisorische balie staat een klapper met foto’s van alle gerechten die je er kunt bestellen. Er bladert een man door de klapper, hij hoort bij een vrouw en een oude hond. 

     ‘De fotografie is redelijk, voor een amateur,’ zegt hij professioneel, ‘beetje flets’.

     Iedere foto bestudeert hij afzonderlijk.

     ‘Het is een vak, hè, food photography,’ gaat hij verder. 

     De hond gaat met een zucht liggen. 

     ‘Maar dit kan echt niet,’ zegt de man tevreden.  

     De vrouw zwijgt. De man schudt zijn argumenten op als een baltsende vogel zijn veren. Dat het deeg, en dan die saus, maar het licht, en God, de kleurtemperatuur. 

     ‘Die calzone,’ roept hij naar de pizzabakker, ‘die kan dus echt niet!’ 

     De pizzabakker haalt zijn schouders op. 

     ‘Dan kun je beter helemaal geen foto’s maken!’

     De pizzabakker roept onze bestelling over de balie. M. neemt de dozen aan. 

     Thuis knip ik een licht aan. De lamp flakkert als een kaarsvlam. Eerder zocht ik op wat daaraan te doen is en ik kwam op een forum terecht vol mensen die aangeven dat de enige oplossing is alle elektriciteit in je huis omleggen (wacht: leg je elektriciteit om? Daar gá ik al). Mensen die bovendien weten dat als je zelf niet eens een ledschakelaar kunt knutselen uit bierblikjes, engelenhaar en het bloed van een bij volle maan geslachte eenhoorn, je het kunstlicht in de ogen überhaupt niet verdient. Omdat ik geen ruggegraat heb vind ik dit soort uitspraken erg ontmoedigend. Als ik de eigenaar van de pizzeria was geweest had ik na de uitspraken van die pedante zak hooi terstond een voedselfotograaf ingehuurd. Maar goed, ik zou überhaupt nooit pizzabakker worden omdat ik bijvoorbeeld nog voor het deeg kans ziet te rijzen ergens lees dat de luchtvochtigheid in Nederland sowieso funest is voor het gerecht – why even bother

     Deze pizzabakker, echter, laat zich duidelijk nergens door tegenhouden. Stoïcijns schiet hij lelijke foto’s, onbewogen bakt hij pizza’s die zo zout zijn dat zijn klanten midden in de nacht wakker worden van de dorst en een akelige maggismaak in hun keel. Je zou het haast bewonderenswaardig noemen. 

17 april (de fan)

Omdat we niet gefilmd willen worden, ook niet per ongeluk, gaan M. en ik achter een boom staan. We willen een parkbruggetje over maar moeten wachten. Aan de andere kant van het bruggetje wordt iets opgenomen; het geroezemoes om ons heen doet vermoeden dat het om iets groots gaat.

     ‘Het is een clip,’ zegt een man die onze vragende blikken ziet. Zelf heeft hij glanzende ogen van opwinding. Een jaar of veertig, moet hij zijn. 

     ‘Hoor jij erbij?’ vraag ik.

     ‘Nee man,’ de man klinkt ondanks dat hij zijn stem niet verheft alsof hij roept, ‘dat is Bokoesam!’

     ‘O,’ zeg ik, ik kijk naar M., die ook een neutrale onwetendheid uitstraalt.

     De man zweeft, zie ik nu, enkele centimeters boven de grond uit extase. 

     ‘Kén je die niet?’ uit zijn mond komen confetti en uitroeptekens.

     We schudden van nee.

     ‘Jezus,’ de man zet zijn voeten wat wrevelig weer op de parkgrond, ‘gebruik het internet eens, als je dat wel kent.’

De brug is vrij, we kunnen eroverheen, passeren een gezelschap dat zo mooi en hip is dat alle anderen, vooral de mensen die het gezelschap niet kennen, erbij afsteken als weggewaaide kranten. Even verderop googelen we de ster – het is inderdaad een ronduit bejaarde prestatie om niet van zijn bestaan op de hoogte te zijn. 

We lopen door. Achter ons klinken een paar doffe ploffen. Als ik omkijk zie ik nog net hoe de man met de glanzende ogen implodeert van geluk. Hij zal spoedig weer herrijzen, hernieuwd en vol verhalen over z’n held in het park. Ik probeer me te bedenken of ik ooit zo ontzettend fan van iemand ben geweest als de man van Bokoesam. Volgens mij heb ik er geen aanleg voor, terwijl het zo prachtig is, dat lichte aanbidden. 

14 april (de huisgeesten)

We zitten te eten en ineens begint het oppashondje, een wolk aan wit doch bemodderd haar en trippelpootjes, hevig te grommen. 

‘Waar kijkt hij naar?’ vraag ik, want ik kan het hondje niet zien.

‘Naar die hoek,’ zegt huisgenoot L., en ze wijst op een hoek waarin niets gebeurt. 

‘Hij ziet een spook,’ concludeert huisgenoot M. terwijl hij een restje salade uit een schaal schraapt. 

Ik vraag ze of ze zelf weleens een geest hebben gezien. We gaan alle verhalen over verschijningen en entiteiten af, huisgenoot D. komt er ook even bij zitten, ze luistert mee. Spookvingers die iemand in de zij porren, een vrouw die in de toekomst kon kijken, spookpootjes van een spookpoes. Omdat ik een tijd geleden allemaal mensen heb geïnterviewd over hun geesten weet ik de engste verhalen. L. vertelt over iemand die zijn vorige levens nog weet. M. en ik vertellen trots dat we herinneringen hebben aan ons tweede jaar. Als onszelf, welteverstaan. D. schenkt een wijntje in, schrikt zich een ongeluk, kijkt onder tafel en zegt: O, jij bent het maar. 

De oppashond is bij haar voeten gaan liggen. Door de keuken van ons oude pand waart nog een spook of drie, zo indrukwekkend is onze tijdelijke waakhond nu ook weer niet. Maar ze zijn stiller nu; de losse hoofden keurig onder de arm, de kettingen opgerold onder witte japonnen. Als je hier lang genoeg woont zie je ze al niet meer.  

13 april (F.)

F. zit op mijn bank een boek te lezen. Een van de redenen dat F. zo tof is, is dat ze je gewoon opbelt en zegt: het zou echt gezellig zijn om bij jou een boek te komen lezen. 

Als ik zou geloven dat de dingen voorbestemd waren zou F. daar het levende bewijs van zijn. We leerden elkaar kennen toen we in de twintig waren, maar kwamen er algauw achter dat onze levens tot dan toe zo ongeveer tegen elkaar hadden gelegen. We speelden bij dezelfde kinderen thuis zonder van elkaars bestaan te weten, gingen naar dezelfde obscure kroegen, zagen dezelfde dingen, hadden bijzonder veel gemeenschappelijke kennissen, soms zelfs vrienden. Een paar jaar terug liepen we elkaar nota bene tegen het lijf bij een uitvaart. Toen ik net kwam wonen waar ik nu woon, moest F. lachen. Ze zei: Dit geloof je niet, maar ik heb mijn halve jeugd in dat pand doorgebracht. Ik kon niet anders dan het wel geloven, niet in de laatste plaats omdat zij de enige was die mijn voordeur zonder uitgebreide routebeschrijvingen en schatkaarten kon vinden. 

F. slaat een bladzijde om. Ik schenk thee in, probeer de drukproef die ik lees op mijn schoot te balanceren, leg hem toch maar op mijn bureau. Soms lezen we een zin aan elkaar voor. Het is fijn om niet de hele tijd in mijn eentje te hoeven werken. Soms kijk ik aan het einde van de dag naar mijn muren en denk ik: gatverdamme, wéér die muren, maar als iemand anders ook haar blik langs de wanden heeft laten gaan zien ze er toch net anders uit. Zeker als het iemand is die welbeschouwd middels allerlei kosmische voorzienigheden op mijn bank is beland. Alsof 13 april 2021 in alle tijdlijnen en parallelle loten van het lot precies zo moest lopen, en niet anders. 

12 april (maracujaman)

Vlak voor ik de supermarkt inga bedenk ik me. Ik loop terug naar de man die ik net moest vertellen dat ik geen change had, vraag of ik iets voor ‘m mee kan nemen.  

Ja, zegt hij, een orange smoothie met maracuja, please.

In de supermarkt liggen precies de dingen niet die ik wel nodig heb, en ik zocht niet eens naar kaas. De smoothie, waarvan ik het bestaan voorheen niet kende, wat is een maracuja eigenlijk, vind ik wel. 

Buiten sneeuwregent het weer. Ik geef de man zijn smoothie, hij controleert het label. 

‘Mwah,’ zegt hij.

‘Maracuja?’ zeg ik.

‘Whatever,’ antwoordt hij, om zichtbaar teleurgesteld de dop van de fles te draaien. 

Dus dat is maracuja, denk ik; ontgoocheling in fruitvorm, iets als natte sneeuw in april.

7 april (kapper)

De kapper, een waar ik nooit eerder ben geweest, vraagt tactvol wie me de vorige keer heeft geknipt. 

‘Ikzelf,’ zeg ik, ‘ik hield het niet meer.’

‘I see,’ zegt de kapper.

Terwijl de tondeuse zoemt hebben we een kappersgesprek. Wat je doet, waar je woont. Ik ken veel mensen die dat soort gesprekken verschrikkelijk vinden, zelf vind ik het meestal wel gezellig. Toch vraag ik me af of kappers zelf niet doodmoe worden van al die mensen onder hun handen die allemaal hetzelfde vragen, hetzelfde zeggen, geen conditioner gebruiken, plaatjes laten zien van negentienjarige supermodellen met veel mooier haar dan zij. 

De tondeuse blijft langdurig zoemen. Vragen kappers me normaal gesproken na iedere knip of het écht zo kort moet om me uiteindelijk alsnog met allerlei schattig bedoelde lange lokjes naar huis te sturen, scheert deze m’n halve coronacoupe eraf. Zolang ik in een kappersstoel zit vind ik altijd alles helemaal best. De koetjes en kalfjes van zo’n kappersgesprek zijn dan ook een geheime hypnosemethode, alleen bekend onder een orde der barbiers. Zoals schoenverkopers je met een vrijwel onhoorbare vingerknip kunnen bewegen tot het kopen van je negende bus beschermende schoenenspray, en bepaalde drogisterijmedewerkers je met een bedwelmende lispel in hun stem overtuigen van het nut van diverse supplementen ten behoeve van organen die bij nader inzien geen mens bezit. 

‘En?’ vraagt de kapper.

‘Prachtig,’ zeg ik, en ik heb nog nooit van m’n leven iets zo erg gemeend. 

6 april (E.)

E. en ik wandelen weer eens. Sinds vorig jaar hebben we diverse routes door de buurt uitgesleten, we volgen onze eigen voetstappen. 

Hier zaten we met lekker weer. Hier zaten we toen we bang waren. Hier zaten we toen we ons alleen voelden. Hier zaten we toen we dachten dat alles goedkwam. Hier schuilden we voor de regen. Hier zaten we, per ongeluk, met een heleboel mensen. Hier zaten we toen we zo hard moesten lachen dat we er bijna in bleven. Hier dachten we dat de zomer nooit zou komen. Hier keken we naar die vreemde streeploze lucht. 

Bij een café kopen we een tosti om te delen. We zitten op een pleintje waar niemand anders zit, omdat het drie seconden geleden nog hagelde. Nu schijnt de zon. We nemen allebei een hap. Nu sneeuwt het. We halen onze schouders op. 

‘Dit gaat nergens over,’ verzucht E. als we weer aan het lopen zijn, het is droog en nat tegelijk, ‘zitten we ineens ook nog in een ijstijd.’ 

Ik knik. Er breekt een zielig zonnetje door. E. probeert bij een zaak op de hoek van de straat een plant te kopen, maar de vrouw voor haar laat het winkelmeisje alle planten stuk voor stuk van schappen en haken halen, om vervolgens ieder afzonderlijk blad te bestuderen. 

‘Soms is het zo uitzichtloos,’ mopper ik. We slaan een hoek om, passeren een man met het uiterlijk van een druïde. Even verderop staan mensen in dikke jassen te schaken met levensgrote paarden en torens.

We staan stil voor de etalage van een christelijke tweedehandsboekenzaak. Er hangt een bijzonder lelijk schilderij in, een blote, ietwat geabstraheerde vrouw met grote tepels. PLAGIAAT, hangt er op een briefje onder, en ook dat het geschikt is voor in de keuken. E. maakt er grinnikend een foto van. 

Ik denk niet dat we heel bang zijn, we zijn ook een stuk minder alleen. We weten wederom niet zeker of het ook dit jaar zomer zal worden. We slijten, samen met de druïdes en schakers en de mensen die van weeromstuit hun huis veranderen in een jungle van perfect bladgroen, de straten steeds iets dieper uit.   

3 april (fatsoenendienst)

‘Is deze van jou?’ vraagt de man die ik al even iets te rap op me af voelde komen. 

Ik zit op het Frederiksplein een boek te lezen. Het zonnetje is net iets te waterig en ik net iets te vroeg voor een afspraak met een vriend. Het boek gaat over hoe vrouwen de stad ervaren. Zoals vermoedelijk veel vrouwen die in het openbaar een boek lezen heb ik naast een paar ogen om letters in me op te nemen, ook voelsprieten uitstaan om onverwachte bewegingen om me heen waar te nemen. 

De man houdt als ik niet gelijk iets zeg een erg grote en gehavende zwarte boxershort omhoog, die hing inderdaad (niet herkenbaar als onderbroek) over het hek achter het bankje waar ik op zit. 

‘Nee,’ antwoord ik dan ook naar waarheid. 

‘Dan ruim ik hem op,’ zegt de man monter. 

Hij is iemand die vrijwillig het plein schoonhoudt, denk ik, op eigen initiatief. Dat viel mee, denk ik ook, ondanks het feit dat ik mezelf werkelijk niet zie als iemand die alle bewegingen om zich heen met louter wantrouwen beschouwt. 

‘Joe,’ zeg ik, maar hij staat al met z’n rug naar me toe en bukt om de onderbroek in een zak te stoppen. De bilspleet die daarbij onthuld wordt is zo dichtbij dat ik een stukje opschuif, mijn gezicht wegdraai, en een ontzettend kinderlijke schater moet onderdrukken. Een passant merkt het tafereel op. Boven het kindje dat hij in zijn armen draagt moet hij even hard lachen als ik. Daar komt de Amsterdamse lente weer.  

31 maart (de boomers)

E. is jarig geweest, we zoeken een plek om het in de zon te vieren. 

     ‘Zullen we langs het Boomerplein lopen?’ vraag ik.

     ‘Wel ja,’ zegt E., in haar tas rinkelen bierflesjes. 

Ik weet niet hoe het plein waar we op doelen echt heet, maar sinds de eerste semi-lockdown noemen we het zo. Toen liepen we iedere dag samen een rondje door de buurt om niet gek te worden. In een tijd dat iedereen angstvallig meters afstand hield en je je moeder bijna niet durfde te béllen uit besmettingsgevaar, in een tijd ook waarin iedereen mopperde dat de jongeren weer eens niet meewerkten, zat dit pleintje iedere dag voller met rebelse Amsterdammers van een zekere leeftijd. Niet alleen maar baby-boomers, maar omdat de ‘ok-Boomer’-grap zo lekker in het geheugen lag was onze nieuwe naam voor het plein algauw geboren. Pontificaal naast elkaar zaten ze, bierblikjes te delen, sloffen Marlboro weg te paffen, ze hadden boomboxen en kaasplankjes bij zich en wierpen voorbijgangers belegen beledigingen naar het hoofd. Hun huid nam naarmate de lente in de zomer overliep de kleur van cowboylaarzen aan. Als het een dag bijzonder leeg was op het plein zeiden we: als ze maar niet allemaal op de IC liggen. 

     ‘Lieve hemel,’ zegt E.

     ‘Misschien,’ zeg ik flauw, ‘bestaat het virus inderdaad niet.’ 

Het plein is voller dan we het ooit gezien hebben. Op ieder bankje minstens vijf grijze koppen, aan de picknicktafels zeker acht, ze zitten op de grond en op stenen muurtjes, ze komen van bootjes en uit canta’s. E. en ik strijken een stuk verder neer, aan het water. Boven ons hoofd cirkelt een helikopter. Het Vondelpark, even verderop, wordt leeggeruimd – de jeugd is er te hard aan het feesten.